Richtlijn bij de behandeling van blaaspijnsyndroom – Interstitiële Cystitis op basis van nomenclatuur en definities. Vanwege de al jarenlang bestaande discussie over naamgeving en definities betreffende blaaspijnsyndroom, is er helaas te weinig voortgang geboekt bij het onderzoek betreffende etiologie en behandeling.

Daarom is het voor de huisarts moeilijk om te verwijzen. En voor de uroloog moeilijk om te beslissen of hij/zij het probleem zelf kan aanpakken of dat er naar een gespecialiseerd centrum verwezen moet worden.

Benaming aandoening: blaaspijnsyndroom

De benaming voor de aandoening, die nu wordt gebruikt is blaaspijnsyndroom (BPS). Deze naam is in 2008 voorgesteld door de ESSIC, the European Association for the study of bladder pain syndrome, en is overgenomen in de richtlijn Chronic Pelvic Pain van de EAU (European Association of Urology) en de AUA (American Urological Association). De denkwijze is, dat BPS eenzelfde centraal mechanisme heeft als andere pijnsyndromen. De EAU richtlijn geeft als definitie voor BPS: chronische pijn, die wordt gevoeld in de blaasregio en die samen gaat met minstens één ander symptoom zoals: – urgency veel aandrang – frequency (vaak plassen en lozen van kleine beetjes urine) – toename van de pijn bij vullen van de blaas. De pijn moet een aantal maanden bestaan (minimaal zes) en er mag geen andere oorzaak voor de pijn zijn.

Blaasslijmvlies

Bij 10% van de patiënten worden omschreven afwijkingen van het blaasslijmvlies (‘binnenbekleding van de blaas’) gezien, een rode vlek met kleine bloedvaten die radiair verlopen naar een centraal litteken. Dit zijn de zogenoemde laesies Hunner (genoemd naar de Amerikaanse chirurg die ze ontdekt heeft) en deze geven een ontstekingsproces aan. Vaak zijn gedeelten van, of is, het gehele blaasslijmvlies ontstoken en zijn de laesies niet apart zichtbaar (pan cystitis). Indien er Hunnerse laesies worden aangetroffen en/of er bestaan klachten zoals bovengenoemd en/of er worden bij biopten mestcellen gevonden (28 mestcellen – per mm2 in de detrusor spier), dan is er sprake van type 3C, ook wel interstitiële cystitis genoemd. Er bestaat derhalve een BPS (blaaspijnsyndroom) type 3C en een BPS-non-type 3C, dat laatste wil zeggen wel een geheel klachtenpatroon maar geen duidelijke laesies in de blaas aantoonbaar.

Juiste diagnose

Omdat de types, zeker wat betreft de klachten, door elkaar lopen is onderscheid moeilijk en het vergt van de uroloog een gedegen anamnese en onderzoek om per patiënt tot de juiste diagnose te komen. Bij type 3C dient in verband met afwijkingen van het blaasslijmvlies andere urologische pathologie te worden uitgesloten alvorens behandeling, het liefst, in een gespecialiseerde kliniek kan worden gestart.

Bij BPS-non-type 3C is het in het belang van de patiënt deze te verwijzen naar een kliniek waar een multidisciplinaire behandeling van het blaas- bekkenpijnsyndroom (o.a. uroloog, gynaecoloog, bekkenfysiotherapeut) kan plaatsvinden.

REFERENTIES:
– Glas, A.F.: Het blaaspijnsyndroom, reproductieve geneeskunde, gynaecologie en obstetrie anno 2015.
– Suskind, A.M., et al. The prevalence and overlap of interstitial cystitis/bladder pain syndrome and chronic prostatitis/chronic pelvic pain syndrome in men: results of the RAND Interstitial Cystitis Epidemiology male study, journal of urology 2013., 189:141/5

Neem contact met ons op 026 389 1753

Blijf op de hoogte en schrijf u in voor de nieuwsbrief